Bij het selecteren van krachtvoer is het belangrijk om te weten waarop de aanbevelingen zijn gebaseerd. De internationale norm hiervoor komt uit de Nutrient Requirements of Horses (NRC), het meest gebruikte wetenschappelijke referentiewerk binnen de paardenvoeding. Deze richtlijnen vormen de basis voor berekeningen van energie-, eiwit- en mineralenbehoeften, de optimale calcium-fosforverhouding en de minimale hoeveelheid ruwvoer die een paard dagelijks nodig heeft (1,5–2% van het lichaamsgewicht in droge stof).
Onderzoek door o.a. NRC (National Research Council) en Europese universiteiten heeft geleid tot energie-modellen (DE, ME, EWpa). EWpa is een rekenmodel dat vooral in Nederland en België wordt gebruikt (gebaseerd op WUR-oorsprong).
Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar het gebruik van vetten en eiwitten in krachtvoer. Eiwit- en lysinebehoefte hangt nauw samen met groei, training en spieropbouw.
Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar het gebruik van vetten en eiwitten in krachtvoer. Vet wordt regelmatig ingezet als alternatieve energiebron, vooral bij sportpaarden.
Over de rol van vezels is veel bekend: paarden functioneren het best op een rantsoen waarbij meer dan 60% van de energie uit vezel komt, en krachtvoer idealiter minimaal 18% ruwvezel bevat. Dit sluit aan bij hun natuurlijke manier van eten en ondersteunt een stabiele darmflora.
Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van zetmeel en suikers op de darmgezondheid. Studies tonen aan dat een hoog NSC-gehalte (suiker + zetmeel) het risico op maagzweren, darmverzuring, koliek en laminitis verhoogt, vooral wanneer maaltijden grote zetmeelpieken veroorzaken. Voor gevoelige paarden, zoals dieren met EMS of PPID, wordt daarom vaak een NSC-waarde onder 10–12% geadviseerd.
Vitamine- en mineralen-aanbevelingen worden ondersteund door analyses van Europees ruwvoer en onderzoeken naar oxidatieve stress en tekortsyndromen. Grote onderzoekscentra zoals Utrecht Universiteit, Kentucky Equine Research en Virginia Tech hanteren vrijwel dezelfde bandbreedtes, waardoor deze waarden breed worden toegepast in commerciële voeders, veterinaire adviezen en rantsoenberekeningen.
Wat is het verschil en waarom is het belangrijk?
In paardenvoeding wordt veel gesproken over suiker en zetmeel, vooral bij paarden met gevoeligheden zoals hoefbevangenheid, insulineresistentie of spierproblemen. Toch is voor veel paardeneigenaren niet altijd duidelijk wat precies het verschil is tussen deze twee energiebronnen, hoe ze worden verteerd en welke invloed ze hebben op de gezondheid van het paard.
Suikers zijn korte, eenvoudige koolhydraten zoals glucose, fructose en sucrose. Ze worden in de dunne darm direct opgenomen in de bloedbaan, waardoor ze snel energie leveren.
Door de snelle opname stijgt het bloedglucose- en insulineniveau onmiddellijk. Bij gezonde paarden is dat geen probleem, maar bij gevoelige paarden kan dit leiden tot:
Zetmeel bestaat uit lange ketens van glucose die eerst enzymatisch moeten worden afgebroken voordat het paard ze kan gebruiken. Dit proces vindt plaats in de dunne darm.
Wanneer de dunne darm te veel zetmeel tegelijk krijgt, kan een deel ervan onverteerd in de dikke darm terechtkomen. Daar wordt het door bacteriën omgezet in melkzuur, wat kan leiden tot:
Dit risico is wetenschappelijk goed aangetoond, vooral bij grote zetmeelmaaltijden.
Veel eigenaren zoeken een voer dat “meer energie”, “meer spieren” of “meer body” geeft, maar het draait in de praktijk vooral om de juiste samenstelling: voldoende vezels, passende hoeveelheden zetmeel en suikers, hoogwaardige eiwitten, een goede vetbron en een compleet pakket aan mineralen en vitamines.
Bij het ontwikkelen van spiermassa speelt energie een veel kleinere rol dan vaak gedacht. Spieropbouw ontstaat door gerichte trainingsprikkels in combinatie met voldoende eiwitkwaliteit, waarbij vooral het aminozuur lysine van belang is. Zonder beweging kan geen enkel krachtvoer spieren laten groeien.
Spieropbouw
Tijdens revalidatie verandert de behoefte opnieuw: het paard verbruikt minder energie, maar heeft meer nut van aminozuren, vitamine E en een zetmeelarm rantsoen dat de stofwisseling en darmgezondheid ontlast.
Revalidatie en herstel
Paarden die moeilijk op gewicht komen hebben vooral baat bij vezelrijke, vetrijke voedingsbronnen zoals bietenpulp, of luzerne, omdat deze geleidelijke energie leveren zonder de risico’s van grote zetmeelpieken.
Moeilijk op gewicht komen
Bij paarden met overgewicht of insulineresistentie is juist het tegenovergestelde nodig: extreem zetmeelarm krachtvoer of een balancer die uitsluitend vitamines en mineralen aanvult zonder extra energie.
Overgewicht, EMS of insulineresistentie
Bij jonge paarden staat gezonde groei voorop. Dit vraagt om voldoende hoogwaardige eiwitten, een correcte calcium-fosforverhouding en een stabiel rantsoen dat groeischokken voorkomt.
Jonge paarden (groei)
Sportpaarden hebben weer andere behoeften. Bij duur- en springpaarden is een verschuiving van zetmeel naar vet gunstig voor uithouding, spierherstel en een stabiele bloedglucosespiegel. Explosieve disciplines kunnen iets meer zetmeel verdragen, mits verdeeld over kleine porties
Sportpaarden
Sobere rassen functioneren daarentegen het best op een dieet met minimale energie, veel vezels en een laag suiker- en zetmeelgehalte. Zij hebben eerder behoefte aan een vitamine-/mineralenbalancer dan aan traditioneel krachtvoer.
Sobere rassen
Door deze richtlijnen te gebruiken, wordt het makkelijker om in te schatten welk krachtvoer past bij de situatie van jouw paard. Uiteindelijk gaat het nooit alleen om het percentages, maar om de balans tussen vezel, vet, zetmeel, eiwitkwaliteit en mineralen –afgestemd op gezondheid, trainingsintensiteit, leeftijd en doel.
Meld je aan voor de nieuwsbrief en ontvang 15% korting op een online cursus naar keuze.